De belofte van de Pasmanaandelen

De Belofte van de Pasmanaandelen

Bemiddelde man, middelbare leeftijd, weet de geneugten van het leven te waarderen. Zo zou ik over kunnen komen op de automobilisten met ik wie ik de snelweg deelde en die ik stuk voor stuk inhaalde. Als een tekst uit een contactadvertentie.

Na een ontspannen nacht in het Van der Valk hotel in Duiven voelde ik me opmerkelijk uitgerust en had ik me het ontbijtbuffet uitstekend laten smaken. Niemand die zei dat het slecht voor me was toen ik een tweede portie scrumbled eggs met spek nam. Het leven was aan mij.

Voordat ik er wegging had ik nog een ouderwetse scheerbeurt met het mes ondergaan bij de barbershop in de lobby. Op aanraden van de barbier, een gave vent met lange bakkenbaarden en tatoeages tot in zijn nek, had ik mijn haar ook nog eens kort laten wieken. Opgeschoren aan de zijkanten, bovenop wat langer. Gek hoe rages plotsklaps opdoken. Het luxe segment van de kappersbranche stond op instorten terwijl de barbershops, die echt niet cheap waren, gouden tijden doormaakten. Overal doken ze op. Kapsalons voor mannen, veelal ingericht met antiek kappersmeubilair. Mannen lieten baarden en snorren groeien die er gelikt uit moesten zien. Aan de barbier de taak ze in model te brengen en bij te werken. Niet één keer per zes weken, nee, liever wekelijks. De klanten stonden er vaak tot buiten aan toe in de rij. Een slimme marketeer die deze look tot trend verheven had. Of had dit niets met trends te maken? Waren mannen  simpelweg uitgekeken op de onpersoonlijke looks van de doorsnee kapper? De barbier had me een glas bier aangeboden, dat ik gezien het vroege tijdstip had afgeslagen. Wat een verschil met die nichterige Pascale, die Evert finaal op het verkeerde been had gezet met zijn ideeën over een superluxe kappersketen. En we waren er allemaal ingestonken. Want als Evert ergens brood in zag, dan moest het wel iets worden. Een harde les.

 

Verscholen achter mijn Ray-Ban Wings nam ik notitie van de blikken die andere weggebruikers op me wierpen. Of beter gezegd, op mijn auto. Wie wilde er nou niet in zo'n bak rijden? Heel mijn leven had ik naar zoiets verlangd en nu had ik er eindelijk een onder mijn kont. En het mooie was ook nog eens dat deze spiksplinternieuwe zwarte Porsche Carrera S cabriolet iedere belofte waarmaakte. Anderen moesten nu maar eens jaloers zijn op mij. Dit was de droom van iedere vent, de enkele uitzondering daargelaten. Softe soortgenoten die smalend beweerden niets om auto's te geven. Kon er bij mij niet in. Een gave kar maakte me oprecht gelukkig. Wat dat betreft had mijn dominante moeder, die me van jongs af aan had ingepeperd dat materie er niet toe deed, geen gelijk gekregen. Haar moraliserende uitspraken hadden me niet geïnfecteerd, eerder een averechts effect gehad. Het had ook niet geholpen ze me op mijn verjaardagen zelden de cadeaus gaf die op mijn verlanglijstje stonden. Meestal kreeg ik iets nuttigs in plaats van het typische jongensspeelgoed dat ik gelukzalig in handen nam als ik een rondje door de speelgoedwinkel maakte. Het paradijs van mijn jeugd. Mijn blijdschap was geveinsd als er een zelfgebreide trui met een bijpassende sjaal uit het pakpapier tevoorschijn kwam, heimelijk door haar gebreid als ik in bed lag. En het koste me geen enkele moeite het beheerst uit te pakken, zoals zij wilde, omdat het papier dan niet zou scheuren en het nog een keer gebruikt kon worden. Als ik het zachte pakket in mijn handen woog, wist ik toch al wat erin zat.

Die ene keer dat ik een nadrukkelijke poging deed mijn zin door te drijven en niets anders dan het woord ridderzwaard op mijn verlanglijstje schreef, kwam me duur te staan. ‘Daar maken mensen elkaar mee dood, zoiets mag je geen speelgoed noemen,’ zei moeder streng toen ze het las, waarna ze het in stukken scheurde, me verbood buiten te gaan spelen en ik die zondige wens op mijn slaapkamer moest gaan overdenken. Het was in de tijd van de tv-serie Floris, die ik wekelijks bij Gerard op de televisie zag, omdat zo’n verderfelijk apparaat er bij ons niet in kwam. Elke aflevering speelden we na op straat, ik in de rol van ridder Floris, Gerard als zijn strijdmakker Sindala. Wat was ik jaloers op het prachtige speelgoedzwaard van hem. Terwijl ik het gevecht met onze vijanden noodgedwongen met een gevonden tak moest voeren.

Zelfs op hoge leeftijd bleef haar dwingende karakter overeind. Nog steeds kon ze het niet laten haar mening aan anderen op te dringen. Ze dramde net zo lang door totdat je haar gelijk gaf, alleen om van het gezeur af te zijn. Ze had me zo murw gebeukt dat de apathie al toesloeg bij het betreden van mijn ouderlijke woning, waar ze nog steeds met vader woonde. Veel langer dan een uur hield ik het er tegenwoordig niet meer uit. Vaders volkomen lamgeslagen houding greep me bij mijn strot, was niet om aan te zien. Wat een armzaligheid zo te moeten leven. Meer dan ooit verlangde ik naar een broer of zus, met wie ik over die dingen kon praten. Geen enkele buitenstaander die het volledig snapte. Ik kon het vertellen, maar het zat dieper, onderhuids, je moest het voelen om het te kunnen begrijpen. In mijn jeugd had ik daar nooit over nagedacht. Ik was eraan gewend enig kind te zijn en wist niet beter. Bovendien woonden we in een kinderrijke buurt, waar ik veel vriendjes had. Er was weinig verkeer, slechts een enkeling had een auto, en meestal speelden we op straat. Onbewust moet ik het bij anderen toch leuker hebben gevonden dan bij mij thuis. Ik ging liever met mijn vriendjes mee naar huis dan dat ik hen meenam.

Ik was langer uit huis dan dat ik er gewoond had, toch bleven moeders dogmatische ideeën doorsijpelen in mijn leven. Altijd dat zeurende stemmetje in mijn achterhoofd dat ik het niet goed deed. Mijn opvoeding had me met een levenslang schuldgevoel opgezadeld. Zelfs nu werd ik er nog door geplaagd. Hoe lastig is het je eigen pad te volgen als anderen altijd hebben bepaald wat goed of slecht voor je is? Eenmaal ontsnapt aan moeders invloed, had Eline haar taak met een enorme toewijding overgenomen. Haar kritische opmerkingen over alles wat maar enigszins naar extravagantie neigde, kon ik inmiddels dromen. Dreunden door mijn kop, als het ritmische tikken van een metronoom. Deze auto had nog geen nacht voor onze deur mogen staan. Ik had hem direct terug moeten brengen van haar. Mijn leven was als dat van een aangelijnde hond die zo nu en dan hoogstens een schor blafje liet horen. Dan moest dit het keerpunt maar zijn. Met deze zwarte jongen op vier wielen. De eerste stap naar mijn nieuwe leven.

 

Ik  gaf meer druk op het gaspedaal, zat zo op tweehonderd. What the hell. This was the real life. Een plan had ik niet. Ik kon naar Amsterdam rijden, waar altijd iets te beleven viel, in ieder geval meer dan in Wijchen waar ik de afgelopen jaren gesleten had. Ja, werkelijk gesleten. Het uit zijn voegen gegroeide dorp was een perfecte omgeving voor het gezinsleven. Veel voorzieningen en omgeven door het platteland. Maar ik had me er niet geworteld en de typische ons-kent-ons sfeer van het dorp was niet aan mij  besteed. Ik wilde niet op iedere straathoek stilstaan om een praatje te maken, over het weer of over vervelende kwaaltjes, en sinds de meiden uit huis waren deed ik voortdurend pogingen er weg te komen. Terug naar Nijmegen, daar waar Eline en ik waren opgegroeid en elkaar hadden leren kennen. Maar zij wilde het niet en kwam iedere keer met nieuwe argumenten aanzetten waarom we het niet moesten doen. De ene keer waren de huizen er te duur, de andere keer meende ze dat het een nadeel was dat we er niemand meer kenden, omdat iedereen uit onze jeugd er wegtrokken was. Zelfs de drukte en de milieuvervuiling in de stad werden aangevoerd. Maar mij kon ze niet overtuigen en met de dag werd de gedachte er in mijn eentje te gaan wonen aantrekkelijker. Dat had ik haar gisteren tijdens de lunch willen vertellen. Het was me niet gelukt. Ze had er zo tevreden uitgezien dat ik het niet over mijn lippen kreeg. Ik koos altijd voor de makkelijkste weg. Was dat de reden van mijn neergang?

Bij alle belangrijke beslissingen in mijn leven was de vriendschap met mijn hockeymaten leidend geweest. Nooit had ik gedacht wat ik wilde. Wat goed voor mij was. En op de eindstreep had het me niets opgeleverd. Hair by Pascale was finaal ingestort, als een plumpudding die te lang buiten de koelkast had gestaan. We waren niets meer.  

In een opwelling nam ik de afslag Muiden. Een plaats waar ik nog nooit was geweest, maar waarvan ik me Everts smakelijke verhalen herinnerde uit de tijd dat zijn zeiljacht er in de haven lag. Over de vele frisse zeilmeisjes die hij er veroverd had. Ik volgde de bordjes centrum en reed het dorp in. Passeerde de haven en de terrassen, waarvan de meesten op dit tijdstip nog leeg waren, en was  er al weer doorheen voordat ik er erg in had. Via de eerst volgende rotonde keerde ik terug. Reed naar café Ome Ko en parkeerde mijn auto voor het terras waarop ik in het voorbijgaan een groep knullen had zien zitten. De zon scheen, het was de eerste warme dag van het seizoen, dus gingen ze direct aan het bier. Zij die het moment nog wisten te pakken.  

Zij wel.